Er was een rechtstreekse aanleiding voor deze post, een andere dan het boek dat ik gelezen heb. Ik schrijf zo al genoeg recensies voor goddeau dat de behoefte om hier opnieuw te beginnen niet snel de kop opsteekt, tenzij het om (oude) boeken gaat of graphic novels die me verweesd achterlaten en me dwingen opnieuw na te denken over de dingen. Boeken zoals Darrin M. Mcmahons Happiness. A history (Geluk. Een geschiedenis).
Toch is het geen boek dat mijn wereld omkeerde of me anders over de dingen liet nadenken, veeleer bevestigde het mijn vermoedens en ideeën. Geen wonder eigenlijk, daar mensen die me kennen, weten dat ik mijn principes en overtuigingen grotendeels stoel en baseer op enerzijds de Oud-Griekse (in een latere post meer daar over) en Romeinse filosofische stelsels (en ethiek in het bijzonder) en de samoerai-codes zoals die terug te vinden zijn in Hagakure anderzijds.
In een slordige zeshonderd pagina’s buigt McMahon, een professor Europese geschiedenis, zich over het begrip “geluk” en hoe dit in de Westerse wereld de voorbije 2500 jaar ingevuld werd. Zijn basisstelling is dat het “recht op aards geluk” pas opdook tijdens de Verlichting (18e eeuw) en dat het streven ernaar in de eeuwen die er op volgden steeds concreter werd, met alle gevolgen vandien.
Het belangrijkste gevolg van dit denken was en is dat
“gelukkig zijn” langzaam maar zeker een morele plicht werd en dat wie niet gelukkig was, dit louter aan zichzelf te danken heeft. Alles is maakbaar en controleerbaar en dus ook geluk, het is alleen een kwestie van willen.
Uiteraard is de oude zienswijze dat geluk voor zowat iedereen de facto alleen in de dood of een hiernamaals gevonden kon worden geen valabel alternatief. Een mens leeft, los van zijn geloof, in het hic et nunc. Wie zijn steven op een hiernamaals richt, verliest zijn voeling met de wereld waarin hij leeft. Maar zoals McMahon aantoont, is in het Westen de wijzer steeds verder de andere richting uitgeslagen. Geluk is een absoluut mensenrecht geworden, een recht dat bovendien door eenieder op zichzelf verwezenlijkt kan worden. Geen wonder dat het ontberen ervan enerzijds wijst op een persoonlijk falen en anderzijds ook iets is dat ten alle tijde (en ten koste van alles?) nagestreefd moet worden.
Hoewel McMahon er zelf niet op ingaat, het boek is zo al diepgravend genoeg, is het interessant om onze visie op geluk te toetsen aan die van niet-Westerse culturen. Hoe vaak hoort men niet iemand opmerken dat men in Afrika, Azië, … toch zoveel gelukkiger is terwijl men niets heeft? Persoonlijk vind ik dergelijke opmerkingen onzin. Want waarom zijn er dan zoveel vluchtelingen, zijn er zoveel burgeroorlogen en genocides alsook waarom keren zij die zo vol zijn van hun periode daar dan terug huiswaarts? Omdat het geluk daar toch te fragiel is?
Enige tijd geleden kreeg ik via een onderzoek een bevestiging van mijn vermoedens en een onderschrijven van McMahons stelling. In niet-Westerse landen is men niet gelukkiger op zich maar hecht men minder waarde aan persoonlijk geluk, de heilige graal van het Westen. Het geluk van de gemeenschap primeert. En daar ligt dus de kern van het probleem: we zijn ongelukkig omdat we persoonlijk gelukkig willen zijn.
Maar geluk is iets vluchtigs, niet iets tastbaar dat we vasthouden kunnen. Geluk blijft iets buiten onze wil om, het enige dat we kunnen doen is dat te aanvaarden. Dat zoiets al negatief gepercipieerd kan worden, zegt opnieuw veel over onze huidige visie.
—–
NB: Hoewel het boek zeker een aanrader is, is het ook een taai academisch werk tjokvol citaten en een uitvoerig notenapparaat. Dat laatste kan gelukkig genegeerd worden. McMahon schrijft bovendien gortdroog waardoor het lezen ervan soms een opgave lijkt. Anderzijds is het fijn om weten dat het nog steeds mogelijk is om een ernstig wetenschappelijk werk te schrijven dat niet gericht is op de grootste gemene deler, laat staan dat het zijn lezerspubliek voor een bende idioten houdt.






